Skype ARA Tours Follow ARA Tours on Facebook Follow ARA Tours on Twitter ARA Tours is lid van de Maatwerkspecialisten.
Nederlandse Antillen > Sint Eustatius
Achtergronden

De belangrijkste aantrekkingskracht van Statia, zoals Sint Eustatius in de volksmond wordt genoemd, is zijn roemruchte verleden. In de achttiende eeuw was het een van de rijkste eilanden op het westelijke halfrond. Vanwege de ongebreidelde rijkdom noemde men het eiland ook wel The Golden Rock. De afgeknotte kegelvorm van de vulkaan The Quill in ruste bepaalt in hoge mate het silhouet van het eiland. De kust van Sint Eustatius bestaat voornamelijk uit steile kliffen met daar tussen kleine baaien met smalle, door de lava donkergekleurde zandstrandjes.

De hoofdstad heet, net als op Aruba, Oranjestad. Het merendeel van de ruim 2.700 inwoners woont in of in de directe nabijheid van hoofdstad Oranjestad.

Oranjestad

Hoofdplaats Oranjestad ligt aan de westkust van Sint Eustatius. De stad bestaat uit een op een ruim 40 meter hoge kustklif gesitueerde bovenstad (Upper Town) en een aan de Oranjebaai gelegen benedenstad (Lower Town). Beide delen zijn met elkaar verbonden door het steile Baaipad.

In de zeventiende en achttiende eeuw was Oranjestad de belangrijkste handelspost van de regio. Talrijke ruïnes, maar ook magnifiek gerestaureerde gebouwen herinneren aan de rijke historie van Oranjestad. De belangrijkste bezienswaardigheden zijn het uit de zeventiende eeuw daterende Fort Oranje en de oude stadskern van de bovenstad.

Via de steile Baaiweg (Bay Road), het oude slavenpad, kunt u vanuit de bovenstad afdalen naar de benedenstad. In hoogtijdagen stond de gehele benedenstad vol met stenen pakhuizen en woningen van kooplieden. Het was hier een komen en gaan van schepen en de bedrijvigheid was groot. Nadat in 1819 een orkaan een groot deel van de woningen en pakhuizen had verwoest en de handel ook steeds minder werd, raakte de benedenstad in verval. Veel van de stenen klinkers werden te gelde gemaakt. Zo voerde Sint Eustatius in 1855 maar liefst 80.000 klinkers uit. Momenteel staat slechts een handjevol gebouwen nog overeind. Van de meeste gebouwen rest slechts de stenen fundamenten. Om een idee te krijgen hoe een koopmanswoning er hier vroeger uit moet hebben gezien, kunt u het beste een bezoek brengen aan het Old Gin House. Dit hotel is gebouwd op de fundamenten van een achttiende-eeuws pakhuis. Ook heeft men de voormalige Cotton Gin Mill (hier werd vroeger katoen ontkorreld) aan de overkant in gebruik. In het oorspronkelijke Waaggebouw is een duikschool gevestigd. Door de eeuwen heen zijn hier als gevolg van orkanen en oorlogen talloze schepen voor de kust vergaan. Veel duikers gaan hier dan ook enthousiast te water, op zoek naar oude flessen en blauwe kralen. Deze kralen kregen de slaven als beloning en werden als betaalmiddel gebruikt.

De geheel uit natuurstenen opgetrokken Methodistenkerk dateert uit 1846. Op de plaats van deze kerk had eerder al een houten kerkje gestaan, maar die werd door een aardbeving verwoest. In 1896 werd de stenen kerk uitgebreid met een toren, waarin een klok hangt die afkomstig is uit de eveneens verwoeste Gereformeerde Kerk. De Methodistenkerk is de oudste nog in gebruik zijnde kerk op Sint Eustatius en ligt aan De Ruyterweg.

Aan de westkant van Oranjestad ligt hoog boven de Caribische Zee op een deels vooruitspringende klif het imposante Fort Oranje. Dit verdedigingswerk is in 1636 gebouwd op de resten van een uit 1629 daterende Franse versterking. Het fort is in de jaren daarna diverse malen verbouwd en uitgebreid. De huidige vorm dateert uit het begin van de achttiende eeuw. Het kwart-cirkelvormige verdedigingswerk bestaat uit drie bastions met daartussen imposante wallen. In het noordelijke bastion bevindt zich de toegangspoort. Op de wallen aan zeezijde staan nog altijd diverse kanonnen opgesteld. Ze deden voor het laatst dienst in 1882 voor het lossen van saluutschoten.

Aan de Kerkweg liggen de restanten van de voormalige Gereformeerde Kerk. Op 2 november 1775 werd op deze plek een voor die tijd imposante kerk ingewijd. De overwegend uit natuursteen opgetrokken kerk bestond uit een hoofdschip van 10 bij 27 meter met één dwarsarm van 9 meter lengte en een forse vierkante toren. Bovenop de stenen toren stond een achtzijdig houten dak met daarin een uurwerk en aan vier zijden een wijzerplaat. Het kerkgebouw en de toren waren wit gepleisterd, maar het houten dak op de toren was blauw geschilderd. De Kerk is door meerder orkanen getroffen waardoor het dak en de houten top van de toren nog altijd ontbreken. Via een houten binnentrap kunt u de toren eventueel beklimmen. U wordt beloond met een panoramisch uitzicht over het eiland. Op de bij de kerk behorende begraafplaats liggen enkele vooraanstaande personen uit de Statiaanse geschiedenis begraven, waaronder commandeur Jan de Windt. Het kerkhof telt in totaal 72, doorgaans kostbaar uitgevoerde, monumentale graven.

In het hartje van het historische centrum van Oranjestad ligt het Gouvernementsgasthuis. Het ommuurde gebouw ligt in een kleine tuin en dateert uit het begin van de negentiende eeuw. In 1922 is het door de lokale overheid in gebruik genomen als gasthuis.

Net buiten het centrum van Oranjestad ligt de ruïne van de Honen Dalim synagoge. De naam van deze op één na oudste synagoge in de Nieuwe Wereld betekent 'Barmhartig voor de Behoeftigen'. De Joodse gemeenschap op Sint Eustatius was aan het begin van de achttiende eeuw nog klein, maar naarmate de handelspositie van het eiland verbeterde nam ook het aantal Joden toe. Net als de ruïne van de Honen Dalim Synagoge is de voormalige Joodse begraafplaats aan de rand van Oranjestad getuige van wat eens een bloeiende Joodse gemeenschap op Sint Eustatius was. Deze begraafplaats dateert uit 1739 en in het toegangshek kunt u de Davidster en de Tien Geboden herkennen.

Het Sint Eustatius Historical Foundation Museum is gevestigd in een van de oudste en beste bewaard gebleven stenen stadshuizen van Oranjestad. Het oorspronkelijke huis dateert uit het begin van de achttiende eeuw en is later diverse keren uitgebreid. Het is gebouwd in opdracht van de rijke koopman Simon Doncker (1714-1796). Sinds 1983 biedt het onderdak aan het Sint Eustatius Historical Foundation Museum. In dit museum wordt aandacht geschonken aan de geschiedenis van het eiland. Naast een permanente tentoonstelling over de ontstaansgeschiedenis - van de eerste Indiaanse bewoners tot het heden - van Sint Eustatius, telt het enkele stijlkamers waarin u kunt zien hoe in de voorgaande eeuwen op Sint Eustatius gewoond en geleefd werd. Een speciale stijlkamer is gewijd aan Simon Doncker en zijn familie. Verder zijn er documenten, gravures, kaarten en tekeningen uit de glorietijd van Statia te bezichtigen.

Flora & fauna

De fauna op Sint Eustatius is redelijk beperkt van omvang. Het aantal inheemse diersoorten is zeer gering. Wel kunt u hier in redelijke aantallen hagedissen en vogels tegenkomen. Wat betreft de fauna is de giftige Oranje Spin (Latrodectus) uniek voor Sint Eustatius. Een beet kan dodelijk zijn. De kleine spin is echter zeer schuw, zodat men er in principe geen gevaar van hoeft te duchten.

Op Sint Eustatius is de vegetatie rijker en gevarieerder dan op bijvoorbeeld Sint Maarten. De wanden van de kraterbodem van The Quill zijn dicht begroeid met een indrukwekkend tropisch regenwoud met ook hier schitterende orchideeën, varens en mahoniebomen.

De zeeflora rondom Sint Eustatius is vergelijkbaar met die van alle Bovenwindse eilanden. Rondom het eiland bevinden zich echter enkele bijzonder plekken en het duiktoerisme heeft de laatste jaren dan ook een positieve ontwikkeling doorgemaakt.

Bevolking

De geschiedenis van het eiland is in grote mate bepalend geweest voor de samenstelling van de huidige bevolking. In etnisch opzicht verschilt de bevolking op Sint Eustatius niet zo veel van die van de omringende eilanden.

Sint Eustatius telt momenteel circa 2.900 inwoners. Op het eiland woont een relatief kleine groep blanken van gemengd Europese afkomst en een grote groep kleurlingen. Er is hier net als op de andere Bovenwindse eilanden nauwelijks sprake van rasvermenging. Mede daardoor is er een duidelijke verdeling tussen blank en gekleurd. Deze deling heeft overigens niets met de sociale positie te maken, want een groot deel van de blanke bevolking onderscheidt zich qua sociale positie op geen enkele wijze van de gekleurde bevolking. Men noemt deze bevolkingsgroep ook wel 'arme blanken'. Op Sint Eustatius is het bevolkingsaantal in de afgelopen 50 jaar vrij stabiel gebleven. Net als op Saba verlaten veel jongelui na de basisschool het eiland voor een vervolgopleiding elders. Het overgrote deel van de bevolking woont aan de westkust in de hoofdstad Oranjestad.

Economie

De economie van Sint Eustatius is voornamelijk afhankelijk van de zogenoemde Landsbijdrage. Hiermee wordt het eilandelijke begrotingstekort aangevuld met landsgelden en worden ontwikkelingsprojecten gefinancierd met behulp van Nederlandse ontwikkelingshulpgelden.

De economische situatie op Sint Eustatius is vergelijkbaar met die op Saba. Ook hier is de economie grotendeels afhankelijk van de Landsbijdrage en is bijna de helft van de beroepsbevolking in overheidsdienst. Een andere, belangrijke werkverschaffer is Statia Oil Terminals, een olie-overslagbedrijf dat zich in 1982 op Sint Eustatius vestigde. Dankzij de aanleg van een luchthaven, Franklin Delano Roosevelt Airport genaamd, neem het toerisme langzaam toe. Het toerisme beperkt zich voornamelijk tot dagjesmensen vanuit met name Sint Maarten. Het eiland beschikt over een aantal kleine hotels voor hen die langer willen blijven. Verder wordt er op kleine schaal aan landbouw en veeteelt gedaan.

Geschiedenis

Het Caribisch gebied bestaat tegenwoordig uit een bonte verzameling van voormalige koloniën of huidige overzeese gebiedsdelen, kroonkoloniën en departementen van verre mogendheden. De eilanden werden oorspronkelijk bewoond door Arawak- en later Carib-indianen. De komst van de Europeanen aan het eind van de 15e eeuw bracht ingrijpende veranderingen met zich mee.

In 1492 zette de Italiaan Christoffel Columbus namens de Spaanse kroon als eerste Europeaan voet aan wal in het Caribisch gebied. Tijdens zijn tweede ontdekkingsreis in 1493 voer Christoffel Columbus langs Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten. Aruba, Bonaire en Curaçao werden zes jaar later tijdens een Spaanse expeditie onder leiding van Alonso de Ojeda en Amerigo Vespucci ontdekt. Toen bleek dat de ABC-eilanden geen edele metalen opleverden werden ze in 1513 door de Spanjaarden tot nutteloze eilanden verklaard. Ook de Bovenwindse eilanden waren voor de Spanjaarden van weinig belang. Ze werden door slechts een handjevol kolonisten bewoond.

Het kostte de Nederlanders dan ook weinig moeite om ze op de Spanjaarden te veroveren. In augustus 1631 werd het nauwelijks bewoonde Sint Maarten ingenomen en in 1634 werd Curaçao op de Spanjaarden veroverd. Saba, Sint Eustatius, Aruba en Bonaire volgden in 1635 en 1636. Op Sint Maarten en later op Bonaire werd de zoutwinning ter hand genomen en op Aruba begon men met het fokken van paarden. Op het kleine Saba hield een groepje kolonisten zich bezig met het verbouwen van katoen, suikerriet en diverse voedingsgewassen. Op Curaçao werd een groot aantal plantages gesticht en dankzij de voortreffelijke natuurlijke haven - het Schottegat - ontwikkelde het zich ook snel tot een belangrijk handelscentrum. Dat gold ook voor Sint Eustatius, dat in de 18de eeuw uitgroeide tot een dusdanig welvarende handelsplaats dat men het eiland 'The Golden Rock' noemde.

Een van de meest winstgevende activiteiten was het vervoer en de verkoop van zwarte Afrikaanse slaven. Met name Sint-Eustatius en Curaçao waren in de 17de en 18de eeuw belangrijke doorvoerhavens van grote aantallen slaven. Nadat het verhandelen van slaven in 1814 was verboden, ging het snel bergafwaarts met de eilanden. Gedurende de 19de eeuw was het dan ook slecht gesteld met de economie van de eilanden. Aan het begin van de 20e eeuw kwam daar verandering in toen er olie werd gevonden in het Meer van Maracaibo in het noorden van Venezuela. Voor de verwerking van de ruwe olie opende de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij (het latere Shell) in 1918 een olieraffinaderij op Curaçao. Het Amerikaanse Lago Oil and Transportation Company vestigde in 1924 een overslaghaven nabij San Nicolaas op Aruba en 4 jaar later werd ook hier een olieraffinaderij in gebruik genomen. Als gevolg van de komst van deze olieraffinaderijen steeg de welvaart op beide eilanden explosief. De olie-industrie trok ook veel arbeidskrachten uit de regio aan en de bevolking groeide in een hoog tempo. De basis voor de huidige multi-culturele samenleving was gelegd.

Mede door de welvaart gingen er op de Antillen ook steeds meer stemmen op voor meer autonomie en op 15 december 1954 werd door Koningin Juliana het nieuwe Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden ondertekend. De Nederlandse Antillen en Suriname kregen beide de status van autonoom gebiedsdeel. De eilanden kregen zeggenschap over hun interne aangelegenheden. Nederland bleef verantwoordelijk voor de buitenlandse betrekkingen en defensie. Het opzetten van een bestuurlijk apparaat in het nieuwe autonome rijksdeel, de Nederlandse Antillen, verliep echter vanaf het begin erg moeizaam. De voortdurende politieke chaos in combinatie met een economische teruggang als gevolg van vergaande automatisering in de olie-industrie leidde in de jaren 60 tot grote onvrede en arbeidsonrust. Op 30 mei 1969 barstte de bom: een demonstratie naar aanleiding van een arbeidsconflict liep op Curaçao volledig uit de hand. Kort na deze arbeidsonlusten werden er diverse nieuwe politieke partijen opgericht en zakte de relatie met Nederland naar een nieuw dieptepunt. De roep om onafhankelijkheid was sterker dan ooit tevoren.

Al voor de Tweede Wereldoorlog was op Aruba een beweging ontstaan die ijverde voor meer zelfstandigheid van het eiland. De politieke onrust op Curaçao blies begin jaren 70 het streven naar onafhankelijkheid op Aruba nieuw leven in. In 1971 richtte Bético Croes de Movemento Electoral di Pueblo (MEP) op. Deze politieke partij had het streven naar zelfbeschikkingsrecht van Aruba hoog in het vaandel staan. In 1975 behaalde de MEP de meerderheid in het Arubaanse parlement en ijverde vanaf dat moment voor een aparte status binnen het Koninkrijk der Nederlanden. En met succes. Op 1 januari 1986 trad Aruba uit het Antilliaanse staatsverband en is het een zelfstandig land binnen het koninkrijk. Gekoppeld aan deze Status Aparte was volledige onafhankelijkheid in 1996. Zover is het nooit gekomen.

De Status Aparte van Aruba luidde wel een nieuw tijdperk in. Sint Maarten en Curaçao voelen ook wel voor een aparte status binnen het koninkrijk. Beide eilanden willen niet langer opdraaien voor de steun aan de kleinere eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius. In de jaren 90 vonden diverse zogeheten toekomstconferenties plaats waar de staatkundige verhoudingen tussen Nederland, Aruba en de Nederlandse Antillen centraal stond. In eerste instantie leidden de gesprekken tot niets, maar na volksraadplegingen in 2004 en 2005 waarbij op alle eilanden een meerderheid van de bevolking ervoor koos om onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden te willen blijven, ziet er nu naar uit dat het huidige land Nederlandse Antillen binnenkort zal worden opgeheven. De eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten zullen hoogstwaarschijnlijk de status land krijgen en Bonaire, Saba en Sint Eustatius zullen zogeheten Koninkrijkseilanden worden. De band, hoe moeizaam soms, tussen Nederland en zijn laatste restje koloniaal verleden zal in elk geval blijven bestaan.

Cultuur & Folklore

De cultuur van Sint Eustatius is in grote lijnen te vergelijken met die van andere Caribische eilanden. De historische (koloniale) achtergronden van de diverse eilanden vertonen onderling veel overeenkomsten met als gevolg dat er ook op cultureel gebied veel gelijkenissen zijn.

Sedert de kolonisatie van de Antilliaanse eilanden omstreeks 1650 zijn ze de thuisplaats geweest van tientallen nationaliteiten en rassen met diverse religies en cultuurpatronen. Door de eeuwen heen zijn de verschillende cultuurinvloeden samengesmolten tot één Creoolse cultuur. Hierin zijn duidelijk Caribische, West-Europese en West-Afrikaanse invloeden te herkennen. Op de Bovenwindse eilanden zijn Engelse invloeden van grote invloed geweest, hetgeen gezien de ligging van de eilanden nabij een aantal (voormalige) Britse kroonkolonies niet zo vreemd is. Mede onder invloed daarvan is de voertaal op deze eilanden het Engels.

In 1948 werd door de Nederlandse regering de Stichting voor Culturele Samenwerking (Sticusa) opgericht met als doel de uitwisseling op cultureel gebied tussen Nederland en haar Overzeese Gebiedsdelen (waartoe destijds ook nog Indonesië en Suriname behoorden) te bevorderen. Deze doelstelling is inmiddels gewijzigd in het bevorderen van de ontwikkeling van een eigen Antilliaanse cultuur en het stimuleren van wederzijds contact op cultureel terrein. Belangrijk daarbij zijn de culturele centra op de diverse eilanden. Op Sint Eustatius organiseert de Sint Eustatius Social and Welfare Work Organization de culturele activiteiten, welke voornamelijk plaats vinden in het Community Center in Oranjestad. Daarnaast houdt het Department of Sports & Culture zich bezig met sportieve en culturele activiteiten op de scholen.

De folklore op deze eilanden wordt gekenmerkt door Caribische, West-Europese, Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse en Noord-Amerikaanse invloeden. Door de historische band tussen de Benedenwindse en Bovenwindse eilanden is er sprake van een culturele versmelting tussen deze twee eilandengroepen.

Van de Bovenwindse eilanden kwam de steelband naar de Benedenwindse eilanden en omgekeerd namen de Bovenwindse Antillianen muziek en dansen van de Benedenwindse eilanden over. Specifiek afkomstig van de Bovenwindse eilanden is de Calypso. Dit is een zogenaamde topical ballad die oorspronkelijk uit Trinidad komt en waarin de dingen van de dag worden bezongen. De erbij behorende dans is in tweekwartsmaat met een vervroegde geaccentueerde tweede tel. De Calypso-muziek is uitermate geschikt voor de steelband. Een van de belangrijkste muzikale uitingsvormen van de Engelstalige Caribisch eilanden. Via de Bovenwindse eilanden is de steelband ook op de Benedenwindse eilanden gekomen.

Kenmerkend voor een steelband is dat het orkest is samengesteld uit slaginstrumenten die vervaardigd zijn uit stalen olievaten. De (veelal gebruikte) vaten worden op verschillende hoogten doorgesneden en ter verkrijging van de gewenste toonhoogte worden op de bodem een aantal deuken gehamerd. Het aantal deuken is afhankelijk van de gewenste toonhoogte. De kleine vaten worden met een koord om de hals gedragen, terwijl de grotere op een voetstuk worden gemonteerd. De steeldrums worden met stokken bespeeld. Het levert een karakteristiek en zeer herkenbaar geluid op. Een steelband bestaat meestal uit minimaal zeven spelers. In carnavaltijd wordt de band veelal uitgebreid met blaasinstrumenten en diverse ritmische instrumenten.


©2013 ARA Tours B.V.  |  Disclaimer  |  Copyright