De belangrijkste aantrekkingskracht van Statia, zoals Sint Eustatius in de
volksmond wordt genoemd, is zijn roemruchte verleden. In de achttiende eeuw was
het een van de rijkste eilanden op het westelijke halfrond. Vanwege de
ongebreidelde rijkdom noemde men het eiland ook wel The Golden Rock. De
afgeknotte kegelvorm van de vulkaan The Quill in ruste bepaalt in hoge mate het
silhouet van het eiland. De kust van Sint Eustatius bestaat voornamelijk uit
steile kliffen met daar tussen kleine baaien met smalle, door de lava
donkergekleurde zandstrandjes.
De hoofdstad heet, net als op Aruba, Oranjestad. Het merendeel van de ruim 2.700
inwoners woont in of in de directe nabijheid van hoofdstad Oranjestad.
Oranjestad
Hoofdplaats Oranjestad ligt aan de westkust van Sint Eustatius.
De stad bestaat uit een op een ruim 40 meter hoge kustklif gesitueerde bovenstad
(Upper Town) en een aan de Oranjebaai gelegen benedenstad (Lower Town). Beide
delen zijn met elkaar verbonden door het steile Baaipad.
In de zeventiende en achttiende eeuw was Oranjestad de belangrijkste
handelspost van de regio. Talrijke ruïnes, maar ook magnifiek gerestaureerde
gebouwen herinneren aan de rijke historie van Oranjestad. De belangrijkste
bezienswaardigheden zijn het uit de zeventiende eeuw daterende Fort Oranje en de
oude stadskern van de bovenstad.
Via de steile Baaiweg (Bay Road), het oude slavenpad, kunt u vanuit de bovenstad
afdalen naar de benedenstad. In hoogtijdagen stond de gehele benedenstad vol met
stenen pakhuizen en woningen van kooplieden. Het was hier een komen en gaan van
schepen en de bedrijvigheid was groot. Nadat in 1819 een orkaan een groot deel
van de woningen en pakhuizen had verwoest en de handel ook steeds minder werd,
raakte de benedenstad in verval. Veel van de stenen klinkers werden te gelde
gemaakt. Zo voerde Sint Eustatius in 1855 maar liefst 80.000 klinkers uit.
Momenteel staat slechts een handjevol gebouwen nog overeind. Van de meeste
gebouwen rest slechts de stenen fundamenten. Om een idee te krijgen hoe een
koopmanswoning er hier vroeger uit moet hebben gezien, kunt u het beste een
bezoek brengen aan het Old Gin House. Dit hotel is gebouwd op de fundamenten van
een achttiende-eeuws pakhuis. Ook heeft men de voormalige Cotton Gin Mill
(hier werd vroeger katoen ontkorreld) aan de overkant in gebruik. In het
oorspronkelijke Waaggebouw is een duikschool gevestigd. Door de eeuwen heen zijn
hier als gevolg van orkanen en oorlogen talloze schepen voor de kust vergaan.
Veel duikers gaan hier dan ook enthousiast te water, op zoek naar oude flessen
en blauwe kralen. Deze kralen kregen de slaven als beloning en werden als
betaalmiddel gebruikt.
De geheel uit natuurstenen opgetrokken Methodistenkerk dateert uit 1846. Op
de plaats van deze kerk had eerder al een houten kerkje gestaan, maar die werd
door een aardbeving verwoest. In 1896 werd de stenen kerk uitgebreid met een
toren, waarin een klok hangt die afkomstig is uit de eveneens verwoeste
Gereformeerde Kerk. De Methodistenkerk is de oudste nog in gebruik zijnde kerk
op Sint Eustatius en ligt aan De Ruyterweg.
Aan de westkant van Oranjestad ligt hoog boven de Caribische Zee op een deels
vooruitspringende klif het imposante Fort Oranje. Dit verdedigingswerk is in
1636 gebouwd op de resten van een uit 1629 daterende Franse versterking. Het
fort is in de jaren daarna diverse malen verbouwd en uitgebreid. De huidige vorm
dateert uit het begin van de achttiende eeuw. Het kwart-cirkelvormige
verdedigingswerk bestaat uit drie bastions met daartussen imposante wallen. In
het noordelijke bastion bevindt zich de toegangspoort. Op de wallen aan zeezijde
staan nog altijd diverse kanonnen opgesteld. Ze deden voor het laatst dienst in
1882 voor het lossen van saluutschoten.
Aan de Kerkweg liggen de restanten van de voormalige Gereformeerde Kerk. Op 2
november 1775 werd op deze plek een voor die tijd imposante kerk ingewijd. De
overwegend uit natuursteen opgetrokken kerk bestond uit een hoofdschip van 10
bij 27 meter met één dwarsarm van 9 meter lengte en een forse vierkante toren.
Bovenop de stenen toren stond een achtzijdig houten dak met daarin een uurwerk
en aan vier zijden een wijzerplaat. Het kerkgebouw en de toren waren wit
gepleisterd, maar het houten dak op de toren was blauw geschilderd. De Kerk is
door meerder orkanen getroffen waardoor het dak en de houten top van de toren
nog altijd ontbreken. Via een houten binnentrap kunt u de toren eventueel
beklimmen. U wordt beloond met een panoramisch uitzicht over het eiland. Op de
bij de kerk behorende begraafplaats liggen enkele vooraanstaande personen uit de
Statiaanse geschiedenis begraven, waaronder commandeur Jan de Windt. Het kerkhof
telt in totaal 72, doorgaans kostbaar uitgevoerde, monumentale graven.
In het hartje van het historische centrum van Oranjestad ligt het
Gouvernementsgasthuis. Het ommuurde gebouw ligt in een kleine tuin en dateert
uit het begin van de negentiende eeuw. In 1922 is het door de lokale overheid in
gebruik genomen als gasthuis.
Net buiten het centrum van Oranjestad ligt de ruïne van de Honen Dalim
synagoge. De naam van deze op één na oudste synagoge in de Nieuwe Wereld
betekent 'Barmhartig voor de Behoeftigen'. De Joodse gemeenschap op Sint
Eustatius was aan het begin van de achttiende eeuw nog klein, maar naarmate de
handelspositie van het eiland verbeterde nam ook het aantal Joden toe. Net als
de ruïne van de Honen Dalim Synagoge is de voormalige Joodse begraafplaats aan
de rand van Oranjestad getuige van wat eens een bloeiende Joodse gemeenschap op Sint
Eustatius was. Deze begraafplaats dateert uit 1739 en in het toegangshek kunt u
de Davidster en de Tien Geboden herkennen.
Het Sint Eustatius Historical Foundation Museum is gevestigd in een van de
oudste en beste bewaard gebleven stenen stadshuizen van Oranjestad. Het
oorspronkelijke huis dateert uit het begin van de achttiende eeuw en is later
diverse keren uitgebreid. Het is gebouwd in opdracht van de rijke koopman Simon
Doncker (1714-1796). Sinds 1983 biedt het onderdak aan het Sint Eustatius
Historical Foundation Museum. In dit museum wordt aandacht geschonken aan de
geschiedenis van het eiland. Naast een permanente tentoonstelling over de
ontstaansgeschiedenis - van de eerste Indiaanse bewoners tot het heden - van
Sint Eustatius, telt het enkele stijlkamers waarin u kunt zien hoe in de
voorgaande eeuwen op Sint Eustatius gewoond en geleefd werd. Een speciale
stijlkamer is gewijd aan Simon Doncker en zijn familie. Verder zijn er
documenten, gravures, kaarten en tekeningen uit de glorietijd van Statia te
bezichtigen.
Flora & fauna
De fauna op Sint Eustatius is redelijk beperkt van omvang. Het
aantal inheemse diersoorten is zeer gering. Wel kunt u hier in redelijke
aantallen hagedissen en vogels tegenkomen. Wat betreft de fauna is de giftige
Oranje Spin (Latrodectus) uniek voor Sint Eustatius. Een beet kan
dodelijk zijn. De kleine spin is echter zeer schuw, zodat men er in principe
geen gevaar van hoeft te duchten.
Op Sint Eustatius is de vegetatie rijker en gevarieerder dan op bijvoorbeeld
Sint Maarten. De wanden van de kraterbodem van The Quill zijn dicht begroeid met
een indrukwekkend tropisch regenwoud met ook hier schitterende orchideeën,
varens en mahoniebomen.
De zeeflora rondom Sint Eustatius is vergelijkbaar met die van alle Bovenwindse
eilanden. Rondom het eiland bevinden zich echter enkele bijzonder plekken en het
duiktoerisme heeft de laatste jaren dan ook een positieve ontwikkeling
doorgemaakt.
Bevolking
De geschiedenis van het eiland is in grote mate bepalend
geweest voor de samenstelling van de huidige bevolking. In etnisch opzicht
verschilt de bevolking op Sint Eustatius niet zo veel van die van de omringende
eilanden.
Sint Eustatius telt momenteel circa 2.900 inwoners. Op het eiland woont een
relatief kleine groep blanken van gemengd Europese afkomst en een grote groep
kleurlingen. Er is hier net als op de andere Bovenwindse eilanden nauwelijks
sprake van rasvermenging. Mede daardoor is er een duidelijke verdeling tussen
blank en gekleurd. Deze deling heeft overigens niets met de sociale positie te
maken, want een groot deel van de blanke bevolking onderscheidt zich qua sociale
positie op geen enkele wijze van de gekleurde bevolking. Men noemt deze
bevolkingsgroep ook wel 'arme blanken'. Op Sint Eustatius is het
bevolkingsaantal in de afgelopen 50 jaar vrij stabiel gebleven. Net als op Saba
verlaten veel jongelui na de basisschool het eiland voor een vervolgopleiding
elders. Het overgrote deel van de bevolking woont aan de westkust in de
hoofdstad Oranjestad.
Economie
De economie van Sint Eustatius is voornamelijk afhankelijk
van de zogenoemde Landsbijdrage. Hiermee wordt het eilandelijke
begrotingstekort aangevuld met landsgelden en worden ontwikkelingsprojecten
gefinancierd met behulp van Nederlandse ontwikkelingshulpgelden.
De economische situatie op Sint Eustatius is vergelijkbaar met die op
Saba. Ook hier is de economie grotendeels afhankelijk van de Landsbijdrage
en is bijna de helft van de beroepsbevolking in overheidsdienst. Een andere,
belangrijke werkverschaffer is Statia Oil Terminals, een
olie-overslagbedrijf dat zich in 1982 op Sint Eustatius vestigde. Dankzij de
aanleg van een luchthaven, Franklin Delano Roosevelt Airport genaamd,
neem het toerisme langzaam toe. Het toerisme beperkt zich voornamelijk tot
dagjesmensen vanuit met name Sint Maarten. Het eiland beschikt over een
aantal kleine hotels voor hen die langer willen blijven. Verder wordt er op
kleine schaal aan landbouw en veeteelt gedaan.
Geschiedenis
Het Caribisch gebied bestaat tegenwoordig uit een bonte
verzameling van voormalige koloniën of huidige overzeese gebiedsdelen,
kroonkoloniën en departementen van verre mogendheden. De eilanden werden
oorspronkelijk bewoond door Arawak- en later Carib-indianen. De komst van de
Europeanen aan het eind van de 15e eeuw bracht ingrijpende veranderingen met
zich mee.
In 1492 zette de Italiaan Christoffel Columbus namens de Spaanse kroon als
eerste Europeaan voet aan wal in het Caribisch gebied. Tijdens zijn tweede
ontdekkingsreis in 1493 voer Christoffel Columbus langs Saba, Sint Eustatius en
Sint Maarten. Aruba, Bonaire en Curaçao werden zes jaar later tijdens een
Spaanse expeditie onder leiding van Alonso de Ojeda en Amerigo Vespucci ontdekt.
Toen bleek dat de ABC-eilanden geen edele metalen opleverden werden ze in 1513
door de Spanjaarden tot nutteloze eilanden verklaard. Ook de Bovenwindse
eilanden waren voor de Spanjaarden van weinig belang. Ze werden door slechts een
handjevol kolonisten bewoond.
Het kostte de Nederlanders dan ook weinig moeite om ze op de Spanjaarden te
veroveren. In augustus 1631 werd het nauwelijks bewoonde Sint Maarten ingenomen
en in 1634 werd Curaçao op de Spanjaarden veroverd. Saba, Sint Eustatius, Aruba
en Bonaire volgden in 1635 en 1636. Op Sint Maarten en later op Bonaire werd de
zoutwinning ter hand genomen en op Aruba begon men met het fokken van paarden.
Op het kleine Saba hield een groepje kolonisten zich bezig met het verbouwen van
katoen, suikerriet en diverse voedingsgewassen. Op Curaçao werd een groot
aantal plantages gesticht en dankzij de voortreffelijke natuurlijke haven - het
Schottegat - ontwikkelde het zich ook snel tot een belangrijk handelscentrum.
Dat gold ook voor Sint Eustatius, dat in de 18de eeuw uitgroeide tot een
dusdanig welvarende handelsplaats dat men het eiland 'The Golden Rock' noemde.
Een van de meest winstgevende activiteiten was het vervoer en de verkoop van
zwarte Afrikaanse slaven. Met name Sint-Eustatius en Curaçao waren in de 17de
en 18de eeuw belangrijke doorvoerhavens van grote aantallen slaven. Nadat het
verhandelen van slaven in 1814 was verboden, ging het snel bergafwaarts met de
eilanden. Gedurende de 19de eeuw was het dan ook slecht gesteld met de economie
van de eilanden. Aan het begin van de 20e eeuw kwam daar verandering in toen er
olie werd gevonden in het Meer van Maracaibo in het noorden van Venezuela. Voor
de verwerking van de ruwe olie opende de Koninklijke Nederlandsche Petroleum
Maatschappij (het latere Shell) in 1918 een olieraffinaderij op Curaçao. Het
Amerikaanse Lago Oil and Transportation Company vestigde in 1924 een
overslaghaven nabij San Nicolaas op Aruba en 4 jaar later werd ook hier een
olieraffinaderij in gebruik genomen. Als gevolg van de komst van deze
olieraffinaderijen steeg de welvaart op beide eilanden explosief. De
olie-industrie trok ook veel arbeidskrachten uit de regio aan en de bevolking
groeide in een hoog tempo. De basis voor de huidige multi-culturele samenleving
was gelegd.
Mede door de welvaart gingen er op de Antillen ook steeds meer stemmen op
voor meer autonomie en op 15 december 1954 werd door Koningin Juliana het nieuwe
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden ondertekend. De Nederlandse Antillen
en Suriname kregen beide de status van autonoom gebiedsdeel. De eilanden kregen
zeggenschap over hun interne aangelegenheden. Nederland bleef verantwoordelijk
voor de buitenlandse betrekkingen en defensie. Het opzetten van een bestuurlijk
apparaat in het nieuwe autonome rijksdeel, de Nederlandse Antillen, verliep
echter vanaf het begin erg moeizaam. De voortdurende politieke chaos in
combinatie met een economische teruggang als gevolg van vergaande automatisering
in de olie-industrie leidde in de jaren 60 tot grote onvrede en arbeidsonrust.
Op 30 mei 1969 barstte de bom: een demonstratie naar aanleiding van een
arbeidsconflict liep op Curaçao volledig uit de hand. Kort na deze
arbeidsonlusten werden er diverse nieuwe politieke partijen opgericht en zakte
de relatie met Nederland naar een nieuw dieptepunt. De roep om onafhankelijkheid
was sterker dan ooit tevoren.
Al voor de Tweede Wereldoorlog was op Aruba een beweging ontstaan die ijverde
voor meer zelfstandigheid van het eiland. De politieke onrust op Curaçao blies
begin jaren 70 het streven naar onafhankelijkheid op Aruba nieuw leven in. In
1971 richtte Bético Croes de Movemento Electoral di Pueblo (MEP) op. Deze
politieke partij had het streven naar zelfbeschikkingsrecht van Aruba hoog in
het vaandel staan. In 1975 behaalde de MEP de meerderheid in het Arubaanse
parlement en ijverde vanaf dat moment voor een aparte status binnen het
Koninkrijk der Nederlanden. En met succes. Op 1 januari 1986 trad Aruba uit het
Antilliaanse staatsverband en is het een zelfstandig land binnen het koninkrijk.
Gekoppeld aan deze Status Aparte was volledige onafhankelijkheid in 1996. Zover
is het nooit gekomen.
De Status Aparte van Aruba luidde wel een nieuw tijdperk in. Sint Maarten en
Curaçao voelen ook wel voor een aparte status binnen het koninkrijk. Beide
eilanden willen niet langer opdraaien voor de steun aan de kleinere eilanden
Bonaire, Saba en Sint Eustatius. In de jaren 90 vonden diverse zogeheten
toekomstconferenties plaats waar de staatkundige verhoudingen tussen Nederland,
Aruba en de Nederlandse Antillen centraal stond. In eerste instantie leidden de
gesprekken tot niets, maar na volksraadplegingen in 2004 en 2005 waarbij op alle
eilanden een meerderheid van de bevolking ervoor koos om onderdeel van het
Koninkrijk der Nederlanden te willen blijven, ziet er nu naar uit dat het
huidige land Nederlandse Antillen binnenkort zal worden opgeheven. De
eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten zullen hoogstwaarschijnlijk de status
land krijgen en Bonaire, Saba en Sint Eustatius zullen zogeheten
Koninkrijkseilanden worden. De band, hoe moeizaam soms, tussen Nederland en zijn
laatste restje koloniaal verleden zal in elk geval blijven bestaan.
Cultuur & Folklore
De cultuur van Sint Eustatius is in grote lijnen te vergelijken
met die van andere Caribische eilanden. De historische (koloniale) achtergronden
van de diverse eilanden vertonen onderling veel overeenkomsten met als gevolg
dat er ook op cultureel gebied veel gelijkenissen zijn.
Sedert de kolonisatie van de Antilliaanse eilanden omstreeks 1650 zijn ze de
thuisplaats geweest van tientallen nationaliteiten en rassen met diverse
religies en cultuurpatronen. Door de eeuwen heen zijn de verschillende
cultuurinvloeden samengesmolten tot één Creoolse cultuur. Hierin zijn
duidelijk Caribische, West-Europese en West-Afrikaanse invloeden te herkennen.
Op de Bovenwindse eilanden zijn Engelse invloeden van grote invloed geweest,
hetgeen gezien de ligging van de eilanden nabij een aantal (voormalige) Britse
kroonkolonies niet zo vreemd is. Mede onder invloed daarvan is de voertaal op
deze eilanden het Engels.
In 1948 werd door de Nederlandse regering de Stichting voor Culturele
Samenwerking (Sticusa) opgericht met als doel de uitwisseling op cultureel
gebied tussen Nederland en haar Overzeese Gebiedsdelen (waartoe destijds ook nog
Indonesië en Suriname behoorden) te bevorderen. Deze doelstelling is inmiddels
gewijzigd in het bevorderen van de ontwikkeling van een eigen Antilliaanse
cultuur en het stimuleren van wederzijds contact op cultureel terrein.
Belangrijk daarbij zijn de culturele centra op de diverse eilanden. Op Sint
Eustatius organiseert de Sint Eustatius Social and Welfare Work Organization
de culturele activiteiten, welke voornamelijk plaats vinden in het Community
Center in Oranjestad. Daarnaast houdt het Department of Sports &
Culture zich bezig met sportieve en culturele activiteiten op de scholen.
De folklore op deze eilanden wordt gekenmerkt door
Caribische, West-Europese, Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse en
Noord-Amerikaanse invloeden. Door de historische band tussen de Benedenwindse
en Bovenwindse eilanden is er sprake van een culturele versmelting tussen deze
twee eilandengroepen.
Van de Bovenwindse eilanden kwam de steelband naar de Benedenwindse
eilanden en omgekeerd namen de Bovenwindse Antillianen muziek en dansen van de
Benedenwindse eilanden over. Specifiek afkomstig van de Bovenwindse eilanden
is de Calypso. Dit is een zogenaamde topical ballad die oorspronkelijk
uit Trinidad komt en waarin de dingen van de dag worden bezongen. De erbij
behorende dans is in tweekwartsmaat met een vervroegde geaccentueerde tweede
tel. De Calypso-muziek is uitermate geschikt voor de steelband. Een van
de belangrijkste muzikale uitingsvormen van de Engelstalige Caribisch
eilanden. Via de Bovenwindse eilanden is de steelband ook op de Benedenwindse
eilanden gekomen.
Kenmerkend voor een steelband is dat het orkest is samengesteld uit
slaginstrumenten die vervaardigd zijn uit stalen olievaten. De (veelal
gebruikte) vaten worden op verschillende hoogten doorgesneden en ter
verkrijging van de gewenste toonhoogte worden op de bodem een aantal deuken
gehamerd. Het aantal deuken is afhankelijk van de gewenste toonhoogte. De
kleine vaten worden met een koord om de hals gedragen, terwijl de grotere op
een voetstuk worden gemonteerd. De steeldrums worden met stokken bespeeld. Het
levert een karakteristiek en zeer herkenbaar geluid op. Een steelband bestaat
meestal uit minimaal zeven spelers. In carnavaltijd wordt de band veelal
uitgebreid met blaasinstrumenten en diverse ritmische instrumenten.
Geef aan wat uw budget en wensen zijn en
wij laten u de mogelijkheden binnen ons assortiment zien. Vul het formulier zo
volledig mogelijk in, maar vergeet vooral uw e-mailadres en/of
telefoonnummer niet!
Bij vragen zullen wij telefonisch contact met u opnemen. Indien u meer wensen wilt doorgeven, kunt u ook gebruik maken van ons uitgebreide offerte-formulier.