|
Curaçao is het middelste eiland van de zogenoemde ABC-eilanden, die beneden
de wind liggen in het zuidelijke deel van de Caribische Zee nabij het
Zuid-Amerikaanse continent. Het wordt door een smalle zeestrook van het
Venezolaanse vasteland gescheiden. Curaçao is langgerekt van vorm en de
lengte-as loopt van het uiterste zuidoosten, toepasselijk Oostpunt
genaamd, met een lichte buiging naar het noordwesten, dat de naam Westpunt
draagt. De lengte van het eiland bedraagt tussen deze twee uiterste punten 61
kilometer. De breedte van het eiland varieert sterk: in het midden is het eiland
op zijn smalst met een breedte van slechts 5 kilometer en aan weerszijden
hiervan wordt het eiland breder tot een maximum van ongeveer 14 kilometer. De
totale oppervlakte van het eiland is 444 vierkante kilometer. Hiermee is
Curaçao verreweg het grootste eiland van de Nederlandse Antillen.
Op enige afstand ten zuidoosten van Curaçao ligt Klein-Curaçao, een
klein onbewoond eilandje met een lengte van ongeveer 2½ kilometer en een
maximale breedte van 750 meter. Op dit eilandje bevindt zich een 20 meter hoge
vuurtoren ten behoeve van de scheepvaart. Hoofdstad van Curaçao én de
Nederlandse Antillen is Willemstad.
Willemstad
De hoofdstad van Curaçao én de Nederlandse Antillen is (vermoedelijk)
vernoemd naar stadhouder Willem II. Grondlegger van Willemstad is echter Johan
van Walbeeck, die in 1635 de opdracht gaf tot de bouw van Fort Amsterdam
op het uiterste puntje van de smalle landtong aan de monding van de
Sint-Annabaai. In de directe omgeving van Fort Amsterdam ontstaat al snel een
nederzetting van kolonisten: een kleine ommuurde stadskern die tot 1861 de naam Punda
draagt. Deze naam - het betekent punt - dankt het aan het feit dat het fort en
de omringende woningen op het uiterste puntje van de smalle landtong liggen. In
eerste instantie heeft Punda vooral een militair-strategische taak en door
middel van de bouw van diverse forten, het Waterfort en aan de overkant van de
baai het Riffort, wordt de natuurlijke haven nog beter beveiligd tegen invallen.
Als de haven echter wordt opengesteld voor de internationale handel neemt ook de
belangrijkheid van Punda als handelscentrum toe en groeit de kleine nederzetting
langzaam maar zeker uit tot een belangrijk handelscentrum. Gezien de beperkte
bouwmogelijkheden op de smalle landtong Punda, ontstaan er woonwijken aan de
andere kant van de Sint-Annabaai en van het Waaigat. De wijk aan de overkant van
de baai krijgt de voor de hand liggende naam: Otrobanda (hetgeen 'aan de
andere kant' betekent).
Met de opkomst van Curaçao als handelsplaats nam de rijkdom van het eiland
en zijn - blanke - bewoners toe. De gevolgen daarvan zijn nog altijd zichtbaar.
De handelshuizen en koopmanswoningen van vooral de Joodse handelaren werden
steeds groter, fraaier én talrijker en Willemstad nam in omvang toe. Het oudste
stadsdeel Punda telt de meeste historische bezienswaardigheden en een wandeling
door het centrum is als een bezoek aan een openluchtmuseum. Naast de reeds
eerder genoemde forten, kan men hier nog tal van andere interessante
bezienswaardigheden bezichtigen, waaronder de Mikvé Israël-Emanuel Synagoge.
Deze Joodse synagoge dateert uit 1732 en is de oudste nog in gebruik zijnde
synagoge in de Nieuwe Wereld. Vlakbij bevindt zich de zogenoemde Drijvende
Markt en de twee belangrijkste winkelstraten, de Heerenstraat en de Breedestraat,
waar naast talrijke goedgevulde etalages nog diverse prachtige staaltjes van
achttiende eeuwse architectuur te bewonderen zijn met op de hoek van beide
straten het bekendste huis van Curaçao: het Penha gebouw. Dit
schitterende in geel uitgevoerde pand werd tussen 1708 en 1733 gebouwd en is
uitgegroeid tot een karakteristiek beeldmerk. Vlakbij dit gebouw ligt de Koningin
Emmabrug, de pontonbrug die Punda met Otrobanda verbindt.
Otrobanda heeft eveneens diverse interessante architectonische
bezienswaardigheden, waaronder Huize Stroomzicht aan de Pater Euwensweg
35. Ook bevindt zich in deze wijk het Curaçaos Museum. Hier krijgt men
een goed beeld hoe vroeger een woon- en slaapkamer op Curaçao er moet hebben
uitgezien. In de museumtuin staat onder andere een bronzen standbeeld van
Stadhouder Willem de Zwijger. Het is slechts een greep uit de talrijke
bezienswaardigheden van Willemstad. Als u niet zelf op zoek wilt gaan naar alle
bezienswaardigheden, dan kunt u het beste een stadswandeling boeken bij een van
de touroperators op het eiland. Sommigen hebben speciale tours die u langs alle
hoogtepunten van Willemstad voeren.
Flora & fauna
Als gevolg van het tropisch-aride klimaat is de flora van Curaçao vrij
beperkt. Ze omvat circa 500 soorten. Blijvende groene grasgroei ontbreekt en de
vegetatie bestaat voornamelijk uit al dan niet gedoornde struikgewassen als
cactussen, agaven en aloë, en lage boomsoorten waaronder de dividivi of
watapana, die een opvallende plaats inneemt met zijn door de wind bepaalde vorm.
Mangrove-vegetatie komt vooral op de kleigrond langs binnenbaaien voor. Het
meest opvallend is de grote verscheidenheid aan cactussen.
De fauna is eveneens beperkt. Uniek voor het eiland is het Curaçaose hertje
oftewel witstaarthert. De lokale naam is biná. Verder komen er op
Curaçao zo'n zestien hagedissensoorten voor, waarvan acht soorten inheems zijn.
Deze hagedissen zijn ongevaarlijk en leven van insecten en planten. De
plantenetende leguaan is de meest bekende. Vermeldenswaard is verder het lokale
konijntje, dat herkenbaar is aan de wollige vacht met op de rugzijde een
tekening van zwartbruine en lichtbruine tot geelachtige vlekken. De kop heeft
een geelbruine kleur met vanaf de kruin een grote donkere, zwartbruine vlek die
tussen de oren door tot op de schouders en soms zelfs tot op de rug doorloopt.
Verder komt men op het eiland in zeer groten getale geiten en in mindere mate
ezels tegen.
Curaçao heeft een redelijke vogelstand. De meeste vogels van de circa 170
soorten die op Curaçao voorkomen, overwinteren er alleen maar of zijn op
doortocht naar een andere broedplaats. Ongeveer 50 soorten broeden op het
eiland. Sommige van deze vogelsoorten behoren tot de mooiste ter wereld, zoals
de West-Indische parkieten prikichi, de gele en oranje troepiaal, de groene en
rode kolibries en het suikerdiefje, op Curaçao barica heel
genaamd. Ook kunt u soms op Curaçao de fraaie Caribische flamingo aantreffen.
Een deel van de vogelstand bestaat uit strandvogels: ze broeden op of bij het
strand. Enkele vogelsoorten zijn wettelijk beschermd, waaronder de gele en
oranje troepiaal en het suikerdiefje.
De zeefauna rondom Curaçao doet niet onder voor de rest van het Caribisch
gebied. De koraalriffen rondom het eiland zijn bijzonder fraai en het aantal
vissoorten is bijzonder gevarieerd. Ook de visstand is indrukwekkend. In 1983
heeft Curaçao een onderwaterpark tot stand gebracht: het Curaçao Underwater
Park. Enkele veel voorkomende vissoorten rondom Curaçao zijn engelvissen,
ballonvissen, grote barracuda's, gele geitenvissen, schorpioenvissen, dradu's,
zaagbaarzen, knorvissen, koffervissen, rifbaarzen, papegaaivissen, gele snappers
en zeesterren.
Bevolking
Het bevolkingsaantal schommelt zo rond de 160.000 mensen. Belangrijkste
kenmerk van de bevolking van Curaçao is altijd de diversiteit geweest. Voor de
komst van de olie-industrie was de Curaçaose samenleving opgebouwd uit drie
cultureel sterk verschillende bevolkingsgroepen, te weten de blanke Nederlanders
die zich reeds in de zeventiende eeuw op het eiland hadden gevestigd, Portugese
(sefardische) joden die ongeveer 20 jaar na de Nederlanders op Curaçao hun heil
zochten nadat de Nederlandse kolonie in Brazilië in Portugese handen viel, en
de zwarte slaven die uit Afrika werden geïmporteerd. De Nederlanders kan men
weer opsplitsen in twee sociale klassen: de hogere klasse bestaande uit
regeringsfunctionarissen, legerofficieren en plantage-eigenaren en de lagere
klasse bestaande uit soldaten en handelaars. De hogere klasse onderhield
onderling nauwe banden en men trouwde ook voornamelijk met elkaar. De lagere
klasse trouwde vaak met vrouwen en mannen afkomstig van het Zuid-Amerikaanse
continent. Hieruit ontstond een sterk verlatiniseerde groep. In 1863 werd de
slavernij afgeschaft en kreeg ongeveer een derde van de totale negerbevolking,
die nog als slaaf te boek stond, de vrijheid. Langzaam maar zeker ontstond er
ook een vermenging van blanken en negers, de zogenoemde mulatten. Met de komst
van de olie-industrie op Curaçao aan het begin van deze eeuw - in 1915 opende
Shell een overlaadstation op Curaçao en in 1918 startte men met de raffinage
van olie - trokken mensen van over de gehele wereld naar dit eiland, met als
gevolg dat de diversiteit nog meer toenam en er nu meer dan 40 verschillende
nationaliteiten voorkomen.
Economie
De economie van Curaçao berust hoofdzakelijk op drie pijlers, te weten de
verwerking van ruwe olie, de toeristenindustrie en de dienstverlening. Tot de
komst van de olie-industrie in 1915 en de olieraffinaderij in 1918 was de handel
verreweg de belangrijkste bron van inkomsten. Dankzij de vestiging van de
Shell-raffinaderij ging de economie van Curaçao met sprongen vooruit en de
welvaart steeg tot ongekende hoogten. Er ontstond volop werkgelegenheid en de
lonen die in de olie-industrie betaald werden waren vele malen hoger dan in
andere bedrijfstakken het geval was, met als gevolg dat veel minder rendabele
vormen van bestaan langzaam maar zeker verdwenen. Maar ook de visserij, de
landbouw en na verloop van tijd de hoedenindustrie liepen in belangrijkheid
terug. In de beginjaren van de olie-industrie was er op het eiland zelfs een
tekort aan arbeidskrachten en was import hiervan noodzakelijk. Uit andere
Caribische eilanden, Suriname en zelfs uit Madeira werden arbeidskrachten
aangetrokken, die graag een graantje mee wilden pikken van het hoge
welvaartspeil dat de olie-industrie met zich mee had gebracht. De gestegen
koopkracht en de sterke bevolkingsgroei betekenden een grote impuls voor de
dienstverlening en snel floreerde deze als nooit tevoren. Automatisering van het
olieraffinageproces had echter tot gevolg dat het aantal werknemers in deze
industrietak gestaag terugliep en in de jaren vijftig nam de werkloosheid - een
tot dan nauwelijks bekend verschijnsel - sterk toe. Aan het begin van de jaren
tachtig passeerde het werkloosheidscijfer op Curaçao zelfs de 20 procent.
Ondanks de opkomst aan het eind van de jaren vijftig en begin zestig van een
geheel nieuw middel van bestaan, het toerisme, is de huidige situatie
structureel en is een oplossing op korte termijn niet voorhanden. Men heeft
grote verwachtingen van het toerisme, dat inmiddels (na de olie en offshore)
uitgegroeid is tot de derde belangrijke bron van inkomsten. De laatste jaren
probeert Curaçao zich vooral ook als een financieel zakencentrum te profileren.
In het kader hiervan werd bijvoorbeeld een International Trade Center
Curaçao gebouwd. Er bestaan diverse plannen om Curaçao als financieel
dienstencentrum verder uit te bouwen. Al met al is de economische situatie van
Curaçao echter nog steeds verre van rooskleurig en zal men zich de nodige
inspanningen moeten getroosten teneinde het hoge werkloosheidscijfer terug te
dringen.
Geschiedenis
Volgens de overleveringen zou Curaçao in 1499 ontdekt zijn door de Spanjaard
Alonso de Ojeda. Deze van adellijke familie afstammende bevelhebber
vertrok in mei van dat jaar met een klein eskader schepen vanuit de haven van
Santa Maria in Spanje richting Caribisch gebied. Ongeveer twee maanden na zijn
vertrek, eind juni 1499, passeerde De Ojeda Curaçao en een naburig eiland,
vermoedelijk Bonaire. Hij heeft waarschijnlijk nooit voet op Curaçaose bodem
gezet en het eiland tijdens het voorbij varen in naam van de Spaanse Kroon
geannexeerd. Ten tijde van zijn 'ontdekking' werd Curaçao bewoond door
Caiquetio-Indianen, een primitief volk dat afstamde van de Arawak-Indianen die
hun woongebied in het noordelijke deel van Zuid-Amerika hadden. Deze Indianen
leefden toen nog in het Stenen Tijdperk. Op diverse plaatsen op het eiland zijn
in grotten op rotswanden tekeningen van deze Indianen gevonden. Enkele zijn nu
nog te bezichtigen, waaronder die in de grot van Hato en in het Christoffelpark.
Curaçao was voor de Spaanse Kroon van geen belang en het aantal Spanjaarden dat
er woonde was minimaal. Het kostte de Nederlanders onder leiding van Johan
van Walbeeck in 1634 dan ook nauwelijks moeite om het eiland op ze te
veroveren.
Direct na de verovering begonnen de Nederlanders met de aanleg en bouw van
een verdedigingswerk aan de ingang van de natuurlijke haven. Deze vesting, Fort
Amsterdam genaamd, bevatte niet alleen veel geschut, maar ook tal van
dienstwoningen, bestuursgebouwen en een kerk. Om landingen van vijandige troepen
te voorkomen, bouwden de Nederlanders op diverse andere plaatsen op het eiland
een aantal forten en kustbatterijen. Bijzonder imposant zijn Fort Nassau
en Fort Waakzaamheid, die beide tegenwoordig onderdak bieden aan een
restaurant. Bij de haveningang van Willemstad werden later nog enkele
versterkingen aangelegd, waaronder het Riffort en het Waterfort.
Curaçao vormde voor de Nederlanders in de zestiende, zeventiende en achttiende
eeuw niet alleen een belangrijk steunpunt in de strijd tegen de Spanjaarden en
Portugezen, maar dankzij de voortreffelijke natuurlijke haven ontwikkelde het
zich ook snel tot een belangrijk handelscentrum. Vooral in de zeventiende eeuw
bloeide de commercie als nooit tevoren. De belangrijkste handelswaar werd echter
gevormd door negerslaven die vanuit Afrika per schip werden aangevoerd. Een
zwarte bladzijde in de geschiedenis, maar één die bepalend is geweest voor de
verdere ontwikkeling van het eiland. In de periode van 1637 tot 1645 werden op
Curaçao maar liefst twintigduizend slaven verhandeld. Aan het begin van de
achttiende eeuw nam deze mensenhandel langzaam maar zeker af en in 1788 zou het
laatste slavenschip op Curaçao zijn aangekomen. Het duurde - ondanks een grote
slavenopstand onder leiding van slaaf Tula in 1795, die bloedig de kop
werd ingedrukt - nog tot 1862 alvorens alle slaven in vrijheid werden gesteld.
De twintigste eeuw staat vooral in het teken van de olie-industrie en het
toerisme. In 1915 stichtte de Koninklijke Shell een olieraffinaderij op het
eiland. In 1916 werd de eerste ruwe olie aangevoerd en in 1918 vond de eerste
raffinage plaats. Mede onder invloed van de recessie waren de eerste jaren
echter niet overweldigend succesvol. De Eerste Wereldoorlog ging mede dankzij de
neutraliteit van Nederland bijna geheel aan Curaçao voorbij. In de loop van de
jaren twintig ging het steeds beter met de olie-industrie en langzaam maar zeker
expandeerde het bedrijf en steeg de vraag naar arbeidskrachten naar grote
hoogten. De gevolgen hiervan waren op diverse terreinen ingrijpend. Zowel op
economisch gebied, alsook op sociaal en cultureel terrein deed de aanwezigheid
van de olieraffinaderij zich gelden. Ook de politieke verhoudingen werden er
duidelijk door beïnvloed. De lokale arbeidsmarkt was niet toereikend en vanuit
alle windstreken stroomden arbeiders naar Curaçao om een graantje mee te pikken
van de welvaart die de oliemaatschappij met zich meebracht. In 1934 deed zich
een ander belangrijk feit voor: de luchtverbinding Amsterdam-Curaçao werd een
feit met de landing van het KLM-toestel de Snip. In 1936 werd een
voorzichtige eerste stap richting autonomie gedaan. In dat jaar werd een nieuwe Staatsregeling
aangenomen waarin alle mannelijke inwoners met de Nederlandse nationaliteit
kiesrecht kregen. De eerste verkiezingen vonden plaats in 1937. Direct na de
Tweede Wereldoorlog kwam het vraagstuk inzake zelfbestuur aan de orde en ook in
Nederland groeide langzaam het besef dat men er verstandig aan zou doen de
laatste koloniën meer zelfstandigheid te geven. Op 15 december 1954
ondertekende Hare Majesteit Koningin Juliana in de Ridderzaal te 's-Gravenhage
dan ook een verdrag waarin Nederland zijn laatste koloniën, te weten Suriname
en de Nederlandse Antillen, een vrijwel volledige zelfstandigheid van bestuur
gaf. Sindsdien hebben zich ingrijpende economische veranderingen voor gedaan. Zo
verkocht de Koninklijke Shell de raffinaderij op Curaçao voor het symbolische
bedrag van één gulden aan de lokale overheid, die voor de exploitatie
vervolgens een lease-contract afsloot met de Venezolaanse maatschappij Isla
en vormen de off-shore activiteiten tegenwoordig de belangrijkste bron van
inkomsten. Het toerisme is sedert het eind van de jaren zestig en begin jaren
zeventig eveneens een belangrijke bron van inkomsten. Door middel van nieuwe
(hotel)projecten en uitgebreide reclamecampagnes probeert men vakantiegangers te
interesseren het eiland te bezoeken. De roep om volledige onafhankelijkheid is
inmiddels fors getemperd. Tijdens een referendum op 19 november 1993 sprak de
overgrote meerderheid van de Curaçaose bevolking - net als de bewoners van
andere eilanden later zouden doen - zich uit voor het handhaven van de band met
Nederland. Dit resultaat was het begin van een opmerkelijke koerswending en
begin 1994 werd door de vijf Antilliaanse eilanden bovendien besloten om toch
binnen één constitutioneel verband te blijven samenwerken. Door de blijvende
relatie met Nederland in koninkrijksverband ziet de toekomst er voor de eilanden
een stuk zekerder uit en blijft de band tussen Nederland en zijn laatste restje
koloniaal verleden voortbestaan.
Cultuur & Folklore
De cultuur van Curaçao is in grote lijnen te vergelijken met die van andere
Caribische eilanden. De historische (koloniale) achtergronden van de diverse
eilanden vertonen veel overeenkomsten met als gevolg dat ook op cultureel gebied
er veel overeenkomsten zijn. Er is sprake van een samensmelting van Caribische,
West-Europese en West-Afrikaanse invloeden. Men vat dit vaak samen onder de
noemer creoolse cultuur. Voor wat betreft de Benedenwindse Eilanden kan
men daar nog Latijns-Amerikaanse invloeden aan toevoegen, gezien de ligging van
de eilanden nabij het Zuid-Amerikaanse continent. Een belangrijk onderdeel vormt
de ontwikkeling op de Benedenwindse Eilanden van het Papiamento, een
mengtaal waar alle hierboven genoemde invloeden in terug zijn te vinden. De
grote diversiteit aan bewoners, variërend van Nederlanders tot afstammelingen
van Afrikaanse plantageslaven, is bepalend geweest voor het ontstaan van de
huidige creoolse cultuur. De bonte mengeling van gebruiken en tradities heeft
daarbij haar weerslag gevonden in niet alleen de taal, maar ook in typisch
Antilliaanse muziek- en dansvormen. In 1950 werd het Cultureel Centrum
Curaçao opgericht. Doelstelling is het stimuleren van zelfwerkzaamheid op
cultureel gebied. Sedert september 1968 beschikt Curaçao over een eigen
schouwburg, genaamd Centro Pro Arte. Deze schouwburg staat onder beheer
van de Stichting Schouwburg Curaçao, telt 750 zitplaatsen en is berekend op
diverse manifestaties van toneel tot ballet en van congres tot popconcert.
De folklore op Curaçao is ontstaan uit een samengaan van Caribische,
West-Europese, Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse en Noord-Amerikaanse invloeden.
Vooral in de diverse dansen zijn deze invloeden nog goed zichtbaar. Van
Afrikaanse origine zijn de tambú en de tumba. West-Europese
invloeden zien we onder andere in de mazurka, de wals, de polka
en de baile di sinta. Van Latijns-Amerikaanse oorsprong zijn de danza
en de joropo en Caribische en internationale invloeden herkennen we in de
rumba, de carioca en de merengue. Tijdens veel
folkloristische evenementen staan deze dansen op het programma. Een groot aantal
van deze dansen wordt door folkloristische groepen - Grupo Folklóriko -
bestaande uit vier dansers en vier danseressen onder begeleiding van een
Antilliaanse muziekband tijdens speciale optredens getoond. Informeer bij de
receptie van uw hotel of bij het toeristenbureau waar ze optreden. Het is zeker
de moeite waard een dergelijk folkloristisch optreden met dans en muziek mee te
maken, omdat beide een belangrijk onderdeel zijn van de culturele achtergrond
van het eiland. Bij zo'n optreden zult u tevens kennis kunnen maken met de
klederdracht, die nu niet meer gedragen wordt, maar bij folkloristische
evenementen nog wel. Curaçao heeft elk jaar een aantal feestdagen die met
folkloristische dans, zang, muziek en klederdracht opgeluisterd worden. De
belangrijkste zijn eind januari het Tumba Festival, de eerste drie weken
van februari Carnaval met als hoogtepunt de grote parade en Vlaggetjesdag
op 2 juli. Voor de meest actuele informatie kunt u het beste terecht bij de
receptie van uw hotel of bij het toeristenbureau in Willemstad.
|